Zo’n honderd jaar geleden, van 1936 tot 1939, vond de Spaanse Burgeroorlog plaats. Een oorlog die begon met een militaire coup, onder leiding van Francisco Franco, tegen de onlangs verkozen regering. De staatsgreep werd neergeslagen door onder meer arbeiders en boeren, die hun werk lieten voor wat het was en in plaats daarvan gingen vechten. Deze oorlog leidde tot de belangrijkste maatschappelijke en economische revolutie van de twintigste eeuw: de Spaanse Revolutie. 

Wat aan de Spaanse Burgeroorlog voorafging

In februari 1936 vonden in Spanje parlementsverkiezingen plaats. Er werd een minderheidsregering gevormd van liberale republikeinen die gesteund werden door socialistische en communistische partijen. 

Hoewel de regering kon rekenen op een meerderheid in het parlement, was de politieke verdeeldheid in Spanje groot. Dat was al langer zo, maar de politieke onrust nam steeds meer toe. Daar komt bij dat Spanje kampte met ernstige sociale ongelijkheid en economische problemen. De spanningen in de samenleving werden steeds groter.

Door deze factoren kwam later dat jaar een deel van het Spaanse leger in opstand tegen de republikeinse regering. De staatsgreep die op 17 juli 1936 plaatsvond, werd geleid door de rechtse militaire leiders Francisco Franco, Emilio Mola en José Sanjurjo. Het doel: de omverwerping van de republiek en het vestigen van een autoritaire, nationalistische regering. Deze coup was het begin van de heftige en gruwelijke Spaanse Burgeroorlog.

Wie vocht tegen wie

Tijdens de Spaanse Burgeroorlog vochten nationalisten tegen republikeinen die uit alle macht de republikeinse regering wilden behouden. Onder de republikeinen bevonden zich ook socialisten, communisten en anarchisten. Daarnaast speelden veel arbeiders en boeren een belangrijke rol aan de kant van de republikeinen. Ze streden als soldaten aan het front, vormden militie-eenheden of zorgden voor humanitaire hulp en verpleging.

Opvallend was de internationale aandacht die de burgeroorlog kreeg. Nazi-Duitsland en fascistisch Italië steunden de nationalisten van Franco. De Sovjet-Unie koos partij voor de republikeinen. Vanuit deze landen werden bijvoorbeeld wapens geleverd aan beide groeperingen. 

De Spaanse Burgeroorlog was een bloederige strijd waar ook veel vrijwilligers uit andere landen aan deelnamen. Aan beide zijden verloren talloze mensen het leven. Zeker in de grote steden werd er hevig gevochten. Ook duizenden burgers kwamen om het leven, vaak vanwege politieke of religieuze overtuigingen.

De Spaanse Burgeroorlog werd in 1939 gewonnen door Franco en zijn nationalisten. Tot 1975, het jaar waarin hij stierf, bleef Franco met zijn autoritaire, fascistische regime aan de macht. Na 1975 werd Spanje een democratie en in 1978 kreeg het een nieuwe grondwet. 

De Spaanse Revolutie

Met de term ‘Spaanse Revolutie’ worden de gebeurtenissen en veranderingen bedoeld die plaatsvonden tijdens de Spaanse Burgeroorlog. De revolutie is de belangrijkste van de twintigste eeuw vanwege de gevolgen ervan voor Spanje en zelfs andere landen. 

Het conflict had een diepgaande impact op de Spaanse samenleving. De littekens, het verlies van zoveel levens (hoeveel precies is onbekend, maar geschat wordt dat een half miljoen mensen stierven), waren nog lange tijd voelbaar.

De burgeroorlog zelf wordt wel gezien als de voorloper van de Tweede Wereldoorlog. De conflicten in Spanje werden soms gebruikt als oefenterrein voor militaire strategieën en technologieën die later tijdens de Tweede Wereldoorlog werden toegepast. Ook de strijd tussen verschillende groeperingen werd een centraal thema in de internationale politiek.

Voor schrijvers, kunstenaars en intellectuelen uit de hele wereld is deze revolutie een bron van inspiratie. Er zijn beroemde boeken, kunstwerken en films gemaakt over de burgeroorlog en de revolutie. Denk aan Picasso’s kunstwerk Guernica en de film The Spanish Earth van de Nederlandse filmregisseur Joris Ivens. Of de boeken van George Orwell en Ernest Hemingway.

Voor de arbeiders had de revolutie blijvende gevolgen. Al tijdens de oorlog werden industrieën gesocialiseerd. Het ging niet meer om de bazen, maar om de werknemers. Er kwamen arbeiderszelfbesturen en arbeiders kregen de controle op verschillende werkplaatsen en in meerdere fabrieken en sectoren. 

Ook op het platteland – afhankelijk van de regio – waren er grote veranderingen. Bij ‘sociale experimenten’ waren miljoenen boeren betrokken. Privaat bezit werd afgeschaft en landbouwgronden werden gecollectiviseerd. In veel gevallen ontstond libertair communisme. Soms werd geld afgeschaft en kreeg men uitbetaald in fiches. Zo werd ongelijkheid verminderd.

 

De Spaanse Burgeroorlog en de Spaanse Revolutie hadden een langdurig effect op de wereldpolitiek en op de manier waarop conflicten werden begrepen en beïnvloed. Het zijn cruciale gebeurtenissen geweest die zeker in Spanje nog merkbaar zijn.